Innovatie

INNOVATIE

SERIEPRODUCTIE

De mondiale automobielgeschiedenis zal zich André Citroën vooral herinneren als de man die in Europa de serieproductie heeft ingevoerd, dankzij de theorieën van Ford. Vanaf 1919 was hij de eerste die ze toepaste bij de productie van de 10HP (of Type A) in Parijs, Frankrijk. Deze theorieën, die toen nieuw waren, maken het mogelijk om dankzij een mobiele keten, snel auto's te bouwen, in heel grote aantallen, om ze heel goedkoop te maken. André Citroën, een man met een passie voor innovatie, was in 1912 naar de Verenigde Staten gereisd, naar de Ford-fabrieken van Red River in Detroit. Daar had hij zelf de werking van deze nieuwe organisatie van de industriële productie vastgesteld.

VOLLEDIG STALEN KOETSWERK

In het begin van de jaren 20 waren de carrosserieën gemaakt van een houten geraamte dat werd vastgemaakt op een chassis en bedekt werd met staalplaten. André Citroen vervangt dit procedé door een volledig stalen koetswerk. Hij doet dit na een reis naar de Verenigde Staten in 1923, waar hij dit nieuwe procedé ontdekt dat werd uitgevonden door de firma Budd. Deze carrosserie, die Tout Acier wordt gedoopt, heeft diverse voordelen. Ze is stevig en stijf, verschaft een betere veiligheid en ook een hoogkwalitatief comfort. Ze verschijnt op de B10 in oktober 1924 en wordt twee jaar later veralgemeend met de volledig nieuwe B14. In 1934, bij de lancering van de Traction Avant, wordt de carrosserie Tout Acier nog steeds beschouwd als een avant-gardistische oplossing. Ze wordt pas in de loop van de jaren 50 veralgemeend.

ZWEVENDE MOTOR

In oktober 1931 is André Citroën terug van een nieuwe reis naar de Verenigde Staten. Zoals gewoonlijk komt hij terug met nieuwe ideeën, waaronder die van de Zwevende Motor (of Moteur Floating Power). Een idee die nog maar eens zal bijdragen tot de modernisering van de auto. Deze uitvinding, die in het begin van de jaren 20 het leven zag in Frankrijk, wordt in 1931 met opzienbarend succes aangenomen door Chrysler. Ze bestaat erin dat de trillingen van de motor worden gefilterd door tussen de motor en het chassis elastische rubberen blokken te plaatsen. In april 1932 worden de C4 en C6 (die dan MFP worden genoemd, voor Moteur Floating Power) ermee voorzien, en Citroën verrast er zijn Europese concurrenten nogmaals mee. Vanaf dat ogenblik krijgen alle Citroëns de Zwevende Motor, zonder uitzondering.

VOORWIELAANDRIJVING

Het idee om de auto te laten aandrijven door de voorwielen, gaat terug naar de oorsprong van de auto. De beroemd Fardier de Cugnot (1770) was zelf gedreven door zijn unieke voorwiel. Verschillende kleine constructeurs hadden zich trouwens in het avontuur gestort, met meer of minder succes. In maart 1933 vraagt André Citroën, nog steeds liefhebber van nieuwigheden en vernieuwing, zijn ingenieurs om zich over de kwestie te buigen. Zo wordt hij in mei 1934 de eerste grote constructeur die een auto met voorwielaandrijving voorstelt: de Traction Avant (7CV). Ondanks enkele problemen bij de oppuntstelling, is de auto al snel een sensatie, aangezien zijn wegligging zo uitzonderlijk is. In de loop van de jaren 50, 60 en 70 zullen vele andere constructeurs de weg die door Citroën werd gebaand, volgen.

AUTO MET ZELFDRAGENDE CARROSSERIE

Van alle vernieuwingen die in mei 1934 door Citroën in de Traction Avant werden verzameld, is de zelfdragende carrosserie zeker de belangrijkste en de meest vernieuwende, naast de aandrijvende voorwielen. Vroeger werden het chassis en de carrosserie afzonderlijk gemaakt en vervolgens op elkaar gemonteerd tijdens de bouw van de auto. Voortaan worden ze verzameld in een en hetzelfde element dat de twee functies verzekert. Deze technische oplossing verbetert het comfort en de veiligheid van de inzittenden in de auto en laat ook toe, door de opheffing van het chassis, om het zwaartepunt te verlagen om de kwaliteit van de wegligging te verbeteren. Vandaag wordt het principe van de zelfdragende carrosserie universeel toegepast, tot de hoogste niveaus van de autosport.

MEEDRAAIENDE KOPLAMPEN

Vertrekkend van de vaststelling dat de duisternis de veiligheid sterk reduceert, vooral op bochtige wegen, rust Citroën de DS en ID vanaf oktober 1967 uit met bijkomende, meedraaiende koplampen. Vanaf dan kan men zowel in een lichte als in een scherpe bocht rijden zoals overdag, zonder het risico van op het laatste ogenblik verrast te worden door een voetganger of fietser zonder lichten. Deze innovatie krijgt onmiddellijk algemene instemming. De SM die in 1970 op de markt komt, neemt deze voorziening uiteraard met succes over. Nadien wordt dit systeem enkele jaren niet meer gebruikt, en maakt het zijn grote retour in oktober 2004, met de meedraaiende xenonkoplampen die beschikbaar zijn op C4 en op C5 fase 2. Vandaag zijn C6, C4 Picasso en de nieuwe C5 er eveneens mee uitgerust.

VISIOSPACE

Het concept van de Visiospace wordt ingehuldigd in 2006 op de Grand C4 Picasso en is de combinatie van een uitzonderlijk zicht (“visio”) met een genereuze binnenruimte (“space”). Hoeksteen van de Visiospace: de panoramische voorruit die een uitzonderlijke lichtinval en een buitengewoon gezichtsveld op de buitenwereld biedt. Dit zicht draagt bij tot het rijplezier en vormt een kostbare troef op het vlak van de veiligheid. In 2009 verruimt de nieuwe C3 het concept om zich voor te stellen onder de lijnen van een Visiodrive met een unieke persoonlijkheid. De cabine wordt werkelijk omhuld met glas en baadt in het licht. Naast de lichtinval en het zicht dat hij verschaft, laat deze Zenith-voorruit de passagiers van de Visiodrive C3 een ongeziene auto-ervaring meemaken.

HYDROPNEUMATISCHE OPHANGING

De eerste werken aan de hydropneumatische ophanging gaan terug to 1944 en waren bedoeld voor de 2CV! Uiteindelijk is de Traction Avant (15 CV) de eerste die er achteraan mee wordt uitgerust, in 1954. Maar het is vooral in 1955 dat deze ophanging furore maakt tijdens de geslaagde lancering van de DS19 die er op de vier wielen mee is uitgerust. Deze nieuwe berline biedt een tot dan toe ongekend wegligging en comfort, maar ook een constante koetswerkhoogte. Deze ophanging blijft het alleenrecht van de DS en ID tot de komst van de GS in 1970. Daarna is ze terug te vinden op de CX, de BX, de XM, de Xantia, de C5 en de C6. Met de vorderingen van de elektronica wordt de hydropneumatische ophanging actief onder de benaming Hydractive en Hydractive III+, in het bijzonder met de nieuwe C5.

STOP AND START

Citroën was een van de eerste merken die de Stop&Start-technologie commercialiseerde, met de C3 Stop&Start in 2005. Deze innovatie zorgt voor een daling van het verbruik en van de CO2-uitstoot, maar ook voor een superieur auditief comfort. De Stop&Starttechnologie maakt het immers mogelijk om de auto stil te leggen net voor en tijdens het stilstaan van de auto (verkeerslichten, files …) en zorgt voor het automatische herstarten bij het loslaten van het rempedaal, wanneer u weer wil vertrekken. Citroën zal vanaf 2010 een nieuwe generatie van de Stop&Start voorstellen, om het in grote aantallen toe te passen op zijn gehele gamma. Deze tweede generatie is nog krachtiger en maakt het mogelijk om in de stad het verbruik en de CO2-uitstoot te doen dalen met ongeveer 15%.

Pour profiter pleinement de l'expérience interactive
Citroën

TÉLÉCHARGEZ
FLASH PLAYER 10



et assurez-vous d'avoir activé l'option Javascript de votre navigateur internet.